Kosmische achtergrondstraling (KAS)
De kosmische achtergrondstraling, afgekort KAS, is het aller-oudste licht, dat driehonderdduizend jaar na de oerknal is ontstaan, toen het uitdijende en afkoelende heelal de overgang maakte van een dichte, ondoorzichtige massa naar doorzichtig gas.


Achtergrondstraling: de blauwe vlekken zijn kouder dan de rode vlekken, witte strepen is polarisatie

De kosmische achtergrond straling is nu bijna 14 miljard jaar onderweg en geeft een beeld van het vroegste heelal dat na driehonderdduizend jaar afkoelde van 2700C tot - 270C.

KAS komt van de verste uiteinden van het heelal, uit alle richtingen, met gelijke sterkte op ons af.
De straling wordt beschouwd als het sterk afgekoelde overblijfsel van de straling die tijdens de oerknal vrijkwam.

De communicatiewetenschappers Arno Penzias en Robert Wilson hebben de KAS ontdekt en in 1965 zijn temperatuur gemeten.
Hiervoor kregen ze in 1978 de Nobelprijs voor Natuurkunde.


COBE

Door middel van satellieten werd in 1992 door de COBE (Cosmic Background Explorer) voor het eerst kleine verschillen in de temperatuur waargenomen.

Temperatuurverschillen geven de verschillen in dichtheid van het vroege heelal weer.

Na de COBE heeft de WMAP (Wilkinson Microwave Anisotropy Probe) de temperatuurverschillen beter in kaart gebracht.
WMAP werd in juni 2001 gelanceerd.

Gegevens van waarnemingen van de WMAP in 2003 laten zien dat het heelal 13,7 miljard jaar oud is, de eerste sterren 200 miljoen jaar na de oerknal zijn ontstaan en 96% van het heelal nog onbekend is.


WMAP

Deze 96% is n van de grote vraagstukken in de sterrenkunde, de donkere of ontbrekende materie.
We kunnen deze donkere materie niet waarnemen en weten ook niet waar deze materie uit bestaat.

Slechts 4% van het heelal bestaat uit atomen, bouwstenen, dit is materie die we kunnen zien.
De overige 96% bestaat voor 74% uit donkere energie en voor 22% uit donkere materie.


Melkwegstelsels of sterrenstelsels kunnen wel tien keer zoveel donkere materie bevatten als de zichtbare materie.
Er is dus veel meer materie die we niet zien, dan die we wel zien.

In het centrale binnengebied van een melkwegstelsel zien we de zichtbare materie, in het grote buitengebied eromheen, de halo, de donkere materie.

In het heelal is geen geluid te horen, omdat er geen lucht is.

Licht kan zich wel verplaatsen, omdat het een trilling is van elektrische en magnetische deeltjes, energie dus.

Geluid is een trilling in een gas, vloeistof of vaste stof.
Als die trilling de juiste frequentie (trillingen per seconde) heeft, kunnen wij hem horen.

De ruimte is vacum dus er kan daar niets trillen en valt er niets te horen.

Als astronomen naar geluiden uit de ruimte luisteren, dan vangen ze radiostraling op, dat is elektromagnetische straling, licht dus, maar met een langere golflengte dan wij met onze ogen kunnen zien.